04-02-2019

26 april - Knibbel knabbel knuisje

Mijn eerste doel in Perth is mijn hostel voor de komende dagen, en dat is een heksenhuis!

Mijn hostel!

Het ligt aan de buitenrand van het centrum, maar nog net binnen de  free transit zone, dus ik moet een half uurtje lopen vanuit het centrum of met de bus. De bussen in Perth zijn van het bedrijf CAT-transit, en hebben een mooi lopende katachtige op hun bussen!


In het hostel heb ik een bunkbed in een kamer met zijn vieren. De enige die er op dit moment is, is een oude Griekse man van 76, met diepe groeven in zijn gezicht, een zwarte alpinopet op zijn hoofd en een stok om op te steunen, die in het hostel slaapt. Hij heeft slaapapneu en slaapt met piepende adem met een zuurstofmasker op aan een apparaat. Hij is uit griekenland vertrokken om hier te werken en is blij, vertelt hij, want in het hudige Griekenland zou hij geen recht hebben op betaalbare medische hulp. Hij komt graag in hostels als hij reist, ondanks dat hij al zesenzeventig is!

30-01-2019

26 april - 4750 kilometer



Na 20 dagen reizen van kust naar kust, na 4750 kilometer dwars door Australië, stap ik deze onbewolkte ochtend uit op het station in Perth.

27-01-2019

Kalgorlie

Kalgorlie is de tweede stop tijdens de rit. Eigenlijk ligt dit al heel dicht bij Perth, het eindpunt. Relatief geproken dan natuurlijk, over een meer dan 1000 kilometer lange reis. Kalgorie is echt een stad. Er wonen 30.000 mensen, die voornamelijk werken in de mijnbouw en het transport. Bij Kalgorlie ligt de grootste goudmijn van Australië. Hij is 3,8 kilometer lang en 1,35 kilometer breed. De bodem van de mijn ligt zo’n 500 meter onder het woestijnoppervlak. Het mijnbouwbedrijf wil graag de mijn laten zien, en met een aantal passagiers ga ik mee.
Buiten regent het. De mensen van Kalgorie zijn er blij mee, het is heel droog geweest, veel langer dan gebruikelijk, dit is de eerste regen in maanden.
We mogen de mijn alleen van grote afstand bekijken. In de mijn wordt het gesteente met explosieven losgemaakt. Grote grijpers laden zware vrachtwagens met erts die het naar boven brengen. Per jaar wordt zo’n 15 miljoen ton aan materiaal op deze wijze getransporteerd. Boven staan installaties om het goud aan het erts te onttrekken. Het gesteente wordt verpulverd en via baden wordt het goud van de rest van het materiaal gescheiden. Het goud wordt gesmolten en in staven gegoten. De mijn is continu in bedrijf.
Toch krijg je ondanks de afstand een gevoel van de enormiteit van de mijn. We mogen wel naar een museum, waar de geschiedenis van de mijn wordt uitgelegd. Vroeger was het een ondergrondse mijn, zoals je een mijn voorstelt. Tegenwoordig is de mijn een open mijn, een enorme kuil in het landschap.
Ook zie je hier de enorme graafmachines waarmee de erst naar boven wordt gebracht. De wielen zijn drie keer zo hoog als ik ben.
Als we terug komen is het al avond. Met een toeter op de hoorn vertrekt de trein voor het laatste stuk door het donker naar Perth, waar we de volgende ochtend aankomen.

Ngintaka; een songline van de Anangu

Terwijl ik door de woestijn dender, denk ik aan Ngintaka, de hagedisman, die de maalsteen gestolen heeft van de aboriginals en tijdens zijn vlucht de steen laat vallen, die voor de ogen van de aborinals in gruzelementen valt. De aboriginals zijn boos over het verlies van hun steen, die zoveel voor hun betekent. Met zijn allen vallen ze de Ngintaka aan en doden hem met twaalf speren.

Over hier, iets noordelijker in de woestijn, gaat deze songline. Het is een route door de woestijn, langs de markeringen die de Ngintaka op zijn vlucht in het landschap heeft gehouwen, de vruchten en zaden die hij heeft gegeten en die tot bloei komen langs deze route, het drinkbare water dat er langs deze route is.
Het is een ontstaansverhaal, over plekken die vruchtbaar zijn, en de betekenis van de maalsteen. Zonder maalsteen kunnen de zaden niet gemalen worden, is er niets te eten.

Ngintaka Tjukurpa alatji - paluru ngura parari nyinangi tjiwa wiya, paluru tjiwa kurakuratjara nyinangi munu paluru mai wakati rungkaningi, munu rungkara uninypa uninymankula ngalkuningi.


Cook

1138 kilometer van Adelaide, en 1523 kilometer van Perth ligt Cook. Het is een van de twee stops van de Indian-Pacific. Door de luidspreker meldt de conducteur dat we uit mogen stappen, maar er om moeten denken dat we na een uur er weer moeten zijn omdat de trein vertrekt en niet wacht op achterblijvers. There's only one train every week, klinkt het verontrustend. Ik blijf de trein altijd in mijn oog houden terwijl ik rondwandel.



Cook is gebouwd tijdens de bouw van de spoorlijn zelf. Spoorwegbouwers woonden hier terwijl ze aan het sppor werkten, richting Perth en richting Adelaide, tot ze het spoor naderden waar de bouwers van de volgende stad aan werkten. Toen de bouw voltooid was bleef Cook bestaan voor de 200 reparatiemedewerkers van de spoorlijn. Ondanks zijn geisoleerde liggingwas het een florerende stad, met een school van de kinderen van de reparatiemedewerkers, en een zwembad. Na de privatisering van de lijn in 1997 was deze reparatiehub niet meer nodig, vonden de nieuwe eigenaren, en verdwenen bijna alle inwoners en werd het een spookstad. Tegenwoordig wonen er nog zeven mensen.


Deze zeven mensen zijn voor hun voorraden en water (!) afhankelijk van de trein. De trein zelf tankt hier diesel voor het vervolg van de rit. De inwoners zijn dus voor hun voorraden afhankelijk van de trein, en de trein voor zijn voorraden afhankelijk van dit stadje. Mocht er iets gebeuren met de trein, dan zijn in Cook medijnen. Een hele grote voorraad EHBO dozen, zo stel ik mij voor.


Tijdens de anderhalf uur die je hier ongeveer bent krijg je niet echt een goed idee van de enorme lege ruimte die er om Cook ligt. De woestijn is alom tegenwoordig. Woestijn had ik mij voorgesteld als heet, mar het is koud vandaag, tussen de tien en vijftien graden. Ik bibber in mijn t-shirtje met korte mouwen. En er zijn vliegen. Enorm veel vliegen. Dat is het eerste wat je merkt als je naar buiten stapt.

Enorm

Veel

Vliegen


Na Cook begint het langste stuk rechte spoorweg ter wereld, tot de volgende stop, Kalgorlie. 478 kilometer kaarsrechte spoorlijn, waar de conducteur om de minuut een knop moet indrukken om te bewijzen dat hij niet in slaap is gevallen. Je vraagt je af hoe ze het hebben kunnen aanleggen, zonder ergens de fout in te gaan en toch een bochtje te moeten maken. :)

De conducteur fluit.

We stappen weer in.

Als we wegrijden komt er bij de overgang een pickup-truck aan. Heeft die pech, de enige minuut in een hele week dat de spoorovergang dicht is.



22-12-2018

25-04 Ochtendrituelen

Zonsopkomst in de woestijn, vanuit de rijdende trein

Het is nog donker in het rijtuig, en iedereen slaapt nog. Mijn medepassagiers zijn nog de onschuldigen van de nacht. Sommigen, zoals ik, slapen met een ogenmaskertje, anderen zonder. Ik heb wel wat geslapen in mijn stoel. Die kon nog een stuk naar achteren, waardoor het iets comfortabeler werd. Maar echt verkwikkend was de slaap niet, vaak wakker natuurlijk, en ik kon moeilijk een houding vinden. Vannacht nog een nacht. Maar nu is het nog donker van de nacht ervoor, en de gordijnen zijn nog dicht. Maar eigenlijk wil ik wel de zon zien opkomen boven de woestijn, dus ik heis me uit mijn stoel en loop voorzichtig op mijn sokken naar de restauratieruimte, waar de gordijntjes wel open kunnen.
Ik dacht dat meer mensen dit wel wilden zien, maar ik ben de enige. Misschien troeft enige nachtrust wakker worden voor de zonsopkomst af. Ik koop een kopje koffie in een piepschuimen bekertje en ga aan een tafeltje zitten naar buiten kijken. Langzaam zie ik de nacht ochtend worden. De trein kedengt in een rustig ritme. Het blauw in de hele vroege morgen, als je verder nog niets ziet, is misschien wel de mooiste kleur op Aarde!
Slurp, neem ik een slokje koffie, lastig in een rijdend voertuig. De vier vrienden die ik gisteren heb zien instappen komen ook binnen en zijn met mij de enige passagiers in de restauratie. Ze geven de steward bij de koffie een ruwe schouderklop, alsof ze elkaar al jaren kennen.
'Good morning' zeg ik.
'G'day', zeggen zei.
We hebben allemaal nog niet genoeg koffie op en zijn nog blurry eyed. Ik vind dat een hele mooie uitdrukking, die precies uitdrukt hoe het voelt. Ik neem nog een bekertje koffie, met een croissant met  poedersuiker. Oppassen, niet te hard ademen, anders zit ik onder poedersuiker!
Ik kijk weer naar buiten. Vaag zie ik de schim van de horizon. Dichtbij zie je de beweging van de trein. De trein dendert verder, rechtdoor, alsmaar rechtdoor, over het langste stuk rechtdoor dat een trein in de wereld rechtdoor rijdt, 478 kilometer lang rechtuit.
Ik ga staan en rek mijn lichaam uit. Mijn spieren zijn nog steeds vergroeid met de slaaphouding in de stoel. Ik buig naar links. Ik buig naar rechts. Mijn spieren knakken over mijn ruggewervel. Ik draai mijn schouders los.
De zon staat aan de hemel, piept tussen de wolken door. De woestijn is ongenadig rood. Ik voel de zon op mijn huid en kan de dag aan. De dag, die zal bestaan uit ditzelfde uitzicht, deze rode woestijn met zijn bolletjes groen, en de trein die de rechte rails rijdt.

Een ode aan Moord op de Orient Express

Het was vijf uur op een wintermiddag in Adelaide. Langs het platform stond de majestueuse trein die in de Lonely planet word bestempeld als 'The great southern rail'. Hij bestaat uit een geel blauwe loc met 30 zilver glimmende rijtuigen, 774 meter in lengte, eerste en tweede klas, met strikt gescheiden rijtuigen, dinerrijtuigen en slaaprijtuigen. Eerste en tweede klassers ontmoeten elkaar alleen tijdens de twee keer dat de trein stopt en de passagiers even naar buiten mogen.
De passagiers zijn van zeer divers pluimage. Een gedrongen man van middelbare leeftijd, duidelijk gekleed in zijn alledaagse kloffie, maakt in alles de indruk van een zeer ervaren Indian-Pacific reiziger. Soepel loopt hij door de controles om naar binnen te kunnen. Zijn indruk, de sjofele kleren, zijn een aantal dagen niet geschoren gezicht, doen vermoeden dat hij al langer onderweg is zonder luxe, misschien al de hele route vanaf Sidney. Hij wenkte zijn drie maten, even eenvoudig gekleed, even lang niet geschoren gezichten.
Bij de trap naar het rijtuig met stoel nummers 1 tot en met 51 stond een slanke jongen, duidelijk Australisch, met twee duffels, een in zijn hand en een op zijn schouder. Zijn neus was wat rodig van de zon en omgeven met kleine sproetjes en een beginnende snor. Hij werd tegengehouden door een van de stewards van de India Pacific; zo veel bagage mag niet mee naar binnen in de trein. Duidelijk articulerend maakte de jongeman duidelijk dat hij het er niet mee eens was. De steward liet hem echter niet naar binnen en hij droop af naar het perron. De duffels werden op de grond gezet en hij keek links en rechts om zich heen terwijl hij er een open maakte om van de twee duffels eentje te maken die mee mocht in de trein. De andere moest mee in de bagageruimte.
Een blond meisje, net twintig zou je schatten, praatte in het Duits tegen haar telefoon terwijl ze de steward haar ticket, stoel nummer twee, liet zien. In elegant Engels bedankte ze de steward, terwijl ze de trap op in het rijtuig liep. Wij werden buren voor de komende drie dagen, begreep ik.
De bejaarde luitenant leek zich bewust dat hij een rol speelde in een act op een later moment. Het werd Anzac day terwijl we onderweg zouden zijn van Adelaide naar Perth, ergens diep in de woestijn. Hij had zijn uniform aangedaan en al zijn medailles van de oorlogen waarin hij had gevochten opgespeld. Hij stak zijn borst trots naar voren toen hij zag dat van de weeromstuit de steward nog rechterop ging staan.
En er was die vreemdeling, nummer 1, uit het verre Nederland, blijkbaar; zo stond het in ieder geval in zijn paspoort. De afgelopen weken waren verrassend maar ook inspannend geweest. Er was van alles gebeurt tijdens zijn reis tot zover. Hij was in Sidney in de stromende regen wezen wandelen in de Blue mountains. Hij had koalabeertjes gezien, hoog in de boom, tijdens een wandeling langs de great southern road, waar hij bijna was overvallen door opkomende vloed. In de nacht was hij omsingeld door gras etende kangoeroes. Hij had honderden boeken vrijgelaten in Melbourne en met toeristen samen in bussen gezeten. Dit deel zou een aangename, rustige reis moeten zijn. Tweede klas, dat wel, met zijn eigen geroofde dekentje zou hij moeten slapen in zijn stoel. Ook hij zei Thank you tegen de steward, en bedacht direct dat dat veel minder elegant klonk dan het Duitse meisje, en stapte in de trein. Hij observeerde zijn medereizigers met aandacht, terwijl hij, zonder veel succes, een praatje probeerde te maken met zijn Duitse medepassagier in stoel twee. 
Meer naar achteren, met minder last van de loc in hun rijtuig, stapten de mensen met een eerste klas kaartje in. Duidelijk anders, chic, veel netter gekleed, sommigen vrouwen met oorbellen en kettingen, de mannen in overhemd met een jasje.
Door de intercom meldde de conducteur krakend en piepend dat de trein zal vertrekken en wenste ons een voorspoedige reis. Bezweet stapte op het laatste moment ook de jonge Australiër, nu met één duffel, op de trein. Hij is duidelijk niet op zijn gemak, voelde voortdurend aan zijn tas en in zijn jas, onzeker of hij alles wel bij zich heeft nu. De loc toeterde drie keer en zet zich dan in beweging. Alle passagiers installeerden zich in hun stoel, de komende drie dagen hun thuis. De Nederlandse jongen pakte de spullen die hij bij de hand wil hebben uit zijn rugtas; een flesje water, zijn boek The Days of Anna Madrigal. Hij keek op zijn telefoon, maar buiten het station is er geen 3g verbinding meer. Alle andere passagiers schuifelden ook in hun stoel, maakten het zich gemakkelijk. Hoe verschillend ook, toch is er iets dat ze zal verbinden deze reis.